Als een echte B1 schrijfgoeroe zou ik nu moeten zeggen: ja! Lange zinnen zijn de bron van alle kwaad! Maar daar denk ik stiekem toch anders over. Want niet alle lange zinnen zijn slecht en niet alle korte zinnen zijn duidelijk.
Als student verdiepte ik me in de tekstwetenschappen. Ook daar besteedden we natuurlijk aandacht aan zinslengte. Als experiment bekeek ik twee boeken: de Ilias van Homerus en een willekeurig boekje uit een Bouquetreeks.
Wat bleek? Hoewel de zinnen in de Ilias kort waren, was het toch behoorlijk lastige kost. En dat leesvoer van de Bouquetreeks (om maar even bij de eetvergelijkingen te blijven) had wel langere zinnen, maar was toch een stuk makkelijker weg te lezen.
Waarom korte zinnen niet automatisch duidelijk zijn
Een korte zin is prima, zolang er één boodschap in staat. Heb je een iets langere boodschap te vertellen? Knip dan die zin niet zomaar in stukjes omdat je dat nou eenmaal moet van de B1-politie.
Ook het onderwerp van je zin of de woorden die je gebruikt, kunnen je korte zin toch erg lastig maken. Een voorbeeld uit de Ilias:
“Vertel, Muze, vertel van de wrok van Achilles. Daar kwam voor de Grieken grote ellende uit voort. Naar Hades voeren talloze helden.”
Drie korte zinnen, maar wie zijn al die lui? En snapt iedereen het woord wrok? En wat of wie is die Hades dan? Is het zo erg dat ze daar heen gingen? Je ziet het: ook korte zinnen kunnen veel vragen oproepen. De zinnen in de Ilias waren wel kort, maar de tekst bleef lastig door onbekende namen, oude begrippen en een wereld die de meeste lezers niet kennen. De Bouquetroman had juist langere zinnen, maar gebruikte eenvoudige woorden en een herkenbare context. Daardoor las die Bouquetreeks veel makkelijker weg.
Wat maakt een zin wél leesbaar?
Een prettig leesbare tekst bestaat uit verschillende zinnen met verschillende lengtes. Want een beetje afwisseling doet niemand kwaad. Hoe zorg je dan dat die langere zin toch lekker leesbaar blijft? Dat doe je met signaal- en verwijswoorden.
Signaalwoorden en verwijswoorden zijn de verkeersborden van een tekst. Ze helpen de lezer zijn weg te vinden in je tekst. Ze laten zien welke verbanden er zijn tussen zinnen. Daardoor ontstaat samenhang en begrip. Maak dus goed gebruik van signaalwoorden en verwijswoorden.
Die heb je in soorten en maten, van opsomming tot vergelijking en toelichting.
Bijvoorbeeld:
Ik was laat. Ik miste de trein.
Ik was laat, waardoor ik de trein miste.
Deze woorden kun je gebruiken als smeerolie tussen je zinnen. Jammer genoeg verdwijnen juist deze handige hulpjes als eerste uit een zin wanneer die korter moet. Niet doen dus! Soms is een lange zin begrijpelijker dan een korte en dat is vaak dankzij signaalwoorden. Trouwens, B1-niveau schrijft nergens voor dat elke zin kort moet zijn. Het doel is begrijpelijke taal, niet zo weinig mogelijk woorden.
Kort die langere zin dus niet zomaar in. Een goede tekst bestaat niet uit zoveel mogelijk korte zinnen. Een goede tekst bestaat uit zinnen die de lezer moeiteloos kan volgen. Soms zijn die kort, soms juist niet. Wil jij zelf een goed leesbare en duidelijke tekst kunnen schrijven? Volg dan mijn B1 Schrijftraining!